Jaarlijks worden er ongeveer 50.000 mensen in een ziekenhuis opgenomen omdat ze hun medicijnen niet goed gebruikt hebben. Ongeveer de helft van die opnames is te voorkomen, onder meer door betere informatievoorziening bij medicijngebruik. Het maken van bijsluiters en andere medicijninformatie is op dit moment grotendeels een handmatig proces waarbij vele partijen betrokken zijn. Het proces is tijdrovend, duur en informeert patiënten niet altijd tijdig over de laatste kennis van een medicijn. Dat kan echt beter.

Minister Bruins (VWS) stelde in juni van dit jaar, bij de start van de Alliantie Medicatieveiligheid, dat het aantal ziekenhuisopnames en sterfgevallen door bijwerkingen van medicijnen de laatste jaren niet is gedaald. Een van de oorzaken is dat de informatievoorziening rondom medicijnen ondanks alle goede initiatieven en een sterk farmacovigilantie-systeem nog steeds niet optimaal is. Informatie over medicatie, of dat nu de traditionele bijsluiter is, de specifieke apotheekfolders, fabrikanteninformatie of de “kijksluiter”, heeft in principe dezelfde formele bron: de zogenaamde “Summary of Product Characteristics” of SPC.

De SPC wordt opgesteld door de fabrikant en goedgekeurd door internationale en nationale toezichthouders. Het document is het startpunt voor alle informatievoorziening over geneesmiddelen. Elk jaar wordt de SPC geëvalueerd en bijgewerkt met de laatste ingewonnen medicijninformatie. Wanneer er –voor de patiënt– essentiële nieuwe veiligheidsinformatie is, wordt de SPC meteen bijgewerkt.

Het maken van de SPC is een tijdrovend proces met veel interactie tussen fabrikant en autoriteit (in Nederland het CBG, College ter Beoordeling van Geneesmiddelen). Het document gaat soms meermaals over en weer ten einde alle aanpassingen handmatig op juiste manier te verwerken en controleren. Daarna wordt ook de patiëntenbijsluiter bijgewerkt en de papieren versies bij medicijnen vervangen. Alleen bij wijzigingen die een groot effect op gezondheid kunnen hebben, wordt de zorgverlener gevraagd de patiënt actief op de hoogte te stellen van de veranderingen. De formele informatiebron voor dit soort nieuwsberichten is de Direct Healthcare Professional Communication, afgekort DHPC.

Een waargebeurd verhaal
De NuvaRing is een middel om zwangerschap te voorkomen. Er zitten stoffen in die tot de zogenoemde derde-generatie anticonceptiva horen. In 2013 wordt bekend dat het risico op trombose bij deze soort mogelijk hoger is dan verwacht. Op basis hiervan wordt in Europa in 2013 een herbeoordeling gestart van alle derde en vierde generatie anticonceptiemiddelen. Op 28 januari 2014 vaardigt het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen een DHPC uit naar alle artsen en apothekers, waarin wordt gevraagd gebruikers van de Nuvaring over het hogere trombose risico te informeren.

Een toenmalige gebruiker (43) van de NuvaRing in Nederland zegt hierover: “Ik heb echter nooit een bericht gekregen of een gesprek met mijn apotheker of huisarts gehad. Er is niet gewaarschuwd over het feit dat ik een oudere gebruiker was, wat nog een extra verhoogd risico op trombose geeft. Ook de NuvaRing app heeft mij geen waarschuwingen gegeven.” Door miscommunicatie was er dus geen reden om te wisselen van anticonceptie. Helaas heeft de vrouw in 2017 een dubbele longembolie opgelopen, heeft ze zes maanden niet volledig kunnen werken en leeft ze nog steeds met de last dat een embolie de eerste 2 jaar terug kan komen.

De juiste informatie niet op het juiste moment
Dat de informatievoorziening over geneesmiddelen in het algemeen beter kan, is niet direct gerelateerd aan wanbeleid of gebrekkige uitvoering van welke individuele partij dan ook. In termen van “briljante mislukkingen” handelt het hier om systeemfalen. Het proces voor medicijninformatie is volledig gebaseerd op menselijk beoordelingsvermogen. Dit verhoogt de kans op fouten, zowel in de teksten als in de communicatie en vertraagt het de distributie van de informatie. Hierdoor is de gebruiker van medicijnen niet verzekerd van de juiste informatie op het juiste moment.

Wie zet de eerste stap?
Onze ambitie in de zorg is om gebruikers van geneesmiddelen op termijn via digitale oplossingen als apps en chatbots te kunnen voorzien van kwalitatief hoogwaardige informatie. Om een constante kwaliteit te waarborgen, is het essentieel dat we naar een standaard manier van verzamelen, opslaan en distribueren van medicijninformatie gaan, zodanig dat met één druk op de knop (na expliciete goedkeuring door de autoriteit), de bijgewerkte informatie meteen beschikbaar is voor alle afnemers.

Hiervoor moet medicijninformatie door alle partijen bij de bron op eenduidige, geautomatiseerde manier vastgelegd, onderhouden en toegankelijk gemaakt worden. Zo’n omgeving noemen wij de ‘Single Point of Truth’, kortweg SPoT, die faciliteert dat alle belanghebbenden, inclusief patiënten, tijdig en correct geïnformeerd kunnen worden. SPoT helpt ook om onnodige problemen met medicijngebruik te voorkomen en dit levert gezondheidswinst en kostenefficiëntie op.

Het fundament onder geautomatiseerde geneesmiddeleninformatie kan beter, effectiever en goedkoper.

Proactieve samenwerking en kennisdeling is de eerste stap om dit proces te optimaliseren. Echter, de complexiteit van het ecosysteem lijkt ertoe te leiden dat intentie en gedrag onvoldoende op elkaar afgestemd zijn. Alle betrokkenen vinden het belangrijk, maar iedereen kijkt naar een ander om als eerste de woorden in daden om te zetten. En uiteindelijk is de patiënt de dupe van die houding.

Wie neemt nu het echte voortouw?

Prof. Dr. Frank Harmsen | Universiteit Maastricht & PNA Group
Prof. Dr. Paul Iske | Universiteit Maastricht & Instituut voor Briljante Mislukkingen
Dr. Claudia Rijcken | Pharmi & Universiteit Utrecht
Drs. Jos van Oers | PNA Group